15 maart 2017

Thurston Moore / Dennis Tyfus / Cameron Jamie (De Studio - 14.03.2017)

Wie had gehoopt dat Thurston Moore vanavond in kunstencentrum De Studio zijn kakelverse single "Cease Fire" en ander nieuw solo-materiaal zou brengen, was eraan voor de moeite. Het concert was aangekondigd als een éénmalige samenwerking van Moore met de Amerikaanse multi-disciplinaire kunstenaar Cameron Jamie en het Antwerpse Ultra Eczema-boegbeeld Dennis Tyfus, dus het stond in de sterren geschreven dat we een avondje taaie avant-garde tegemoet gingen.

En dat was ook precies wat geserveerd werd. Eerst mocht de Sarajevisch-Belgische Mia Prce met haar dromerige solo-synth-project Miaux de debatten openen. Uitgepuurde en onthaastende synth-kraut tegen een backdrop-animatie van duidelijke Tyfus-signatuur (geïnspireerd op de cover van haar laatste album "Hideaway").

Vervolgens een vrij vermoeiende set van het experimentele triumviraat. Tyfus deed datgene wat we hem al enkele keren zagen doen met zijn Vom Grill-project (zoals vorig jaar nog tijdens Uncanny Valley of enkele jaren geleden in het voorprogramma van Body/Head, één van de projecten van Moore's ex Kim Gordon) : het produceren van vocal blubber met enkele cassettedecks, die live tot verminkte samples verwerkt worden. Een vrij beperkt instrumentarium dat duidelijk de limiet van zijn mogelijkheden bereikten tijdens dit (te ?) lang uitgesponnen concert. Onderwijl friemelde, pingelde, streelde en liefkoosde Moore zijn gitaar, terwijl de rol van Jamie vrij onduidelijk was. Hij leek zich te beperken tot het creëren van vocale experimenten en tot het spelen met een theremin-achtig instrument.

Na een twintigtal minuten werd de verknipte geluidscollage afgebroken, blijkbaar - als we Moore mogen geloven - door een kortstondige elektrische panne. Een nieuwe vocale sample van Tyfus zwengelde kort nadien aan tot een soort van beat, voor Moore het signaal om zijn gitaar met meer schwung te lijf te gaan en echo's op te roepen aan de rauwe sound van de Sonic Death-opname van het nog prille Sonic Youth, in de vroege jaren '80 het nest van Glenn Branca verlatend en zoekend naar een eigen geluid. Maar na een tijdje nam de beat de benen en mondde de brij terug uit in de abstracte collage waarmee het concert begon.

Na een uurtje volgde nog een onverwachte bisser, waarbij Fluxus-kunstenaar Ludo Mich - sinds jaar en dag een constante in de entourage van Tyfus - een gastrolletje mocht vertolken. Als een soort van avantgarde-alverman of als een soort van aapje op een experimenteel draaiorgel, brulde en huppelde Mich wat mee. Muzikaal toegevoegde waarde compleet nihil, maar deze veterane snorremans blijft wel amusant om te observeren. "Peace and love ! Peace and love ! Peace and love !" riep Moore het ietwat beduusde publiek toe na afloop van het concert, aldus toch nog een toefje van de "Cease Fire"-boodschap meegevend.

Dergelijke experimentele concerten zijn natuurlijk nooit een luchtige easy listening-ervaring. Meestal geef ik dit soort van concerten het voordeel van de twijfel en kan ik ervan genieten met een "het glas is halfvol"-mentaliteit. Maar doordat dit concert plaatsvond nadat ik de avond voordien het verbluffende concert van James Brandon Lewis mocht meemaken, was het al bij al een eerder magere "het glas is halfleeg"-bedoening. Natuurlijk blijft Moore nog altijd één van mijn helden en een briljante songschrijver, zoals hij op zijn solo-albums blijft demonstreren. Maar wanneer het op experimentele muziek aankomt, blijft zijn voormalige SY-collega Lee Ranaldo toch meestal zijn meerdere.

14 maart 2017

James Brandon Lewis Trio (De Singer - 13.03.2017)

Wat de jonge saxofonist James Brandon Lewis (°1983) met zijn trio vanavond uit zijn tenorsax schudde in De Singer, valt moeilijk in woorden te bevatten. Eigenlijk zou deze korte review niet meer kunnen/mogen zijn dan een willekeurige opsomming van allerlei superlatieven. Raar of zelden ben ik immers zo overdonderd geweest door een concert.

Samen met bassist Luke Stewart en drummer Warren Trae Crudup III bracht Brandon Lewis vanavond een weergaloze trip, vooral opgebouwde rond materiaal uit het recente "No Filter"-album (2016), een album waar ik de laatste weken compleet verslingerd aan ben geraakt. Gedurende anderhalf uur speelde het trio vlijmscherp en loeihard (want elektrisch versterkt), nét aan de goede kant van de pijngrens. De keiharde aanslagen van Crudup op zijn snare-drum deden me een beetje denken aan het spervuur van drummer Buddy Miles tijdens "Machine gun", het geweldige nummer dat het gelegenheidstrio Band of Gypsys (met naast Buddy Miles ook nog Jimi Hendrix en Billy Cox) op 1 januari 1970 speelde tijdens hun legendarisch concert. Het drumwerk van Crudup voorzag het concert van een enorm energieke drive en een meedogenloos ritme.

Het spel van Stewart op zijn elektrische basgitaar sloot hier perfect op aan. Avontuurlijke bas-loops die je op zich als een masterclass zou kunnen beluisteren, als je sax & drums zou wegfilteren. De nauw benepen ruimte tussen de noten van de tenorsax van Lewis werd naadloos opgevuld door de ene boeiende riff na de andere, waarbij de hoge noten niet werden geschuwd. De elektrische versterking van de basgitaar flirtte constant bewust met een bijna hypnotiserende galm, die zich genadeloos in mijn buis van Eustachius nestelde.

En dan natuurlijk de bandleider zelf. Alleen al diens lichaamstaal was expressief en straalde een soort van intellectuele superioriteit en bijna fanatieke verbetenheid uit. En dat toonde zich in zijn concert, waarin geen ruimte was voor adempauzes, solo's en open doekjes. Gewoon keihard blijven gaan in constante dialoog met zijn twee kompanen, af en toe de wegglijdende bril terug op de neus duwend. Het resultaat van deze compromisloze improvisatie-kopstoot kan ik alleen als 'spiritueel' ervaren. Dit moet het geweest zijn wanneer je John Coltrane in zijn laatste levensjaren - waarin hij constant zijn grenzen trachtte te verleggen - live kon bewonderen tijdens pakweg de opnames voor het "Live in Japan"-album. Niet dat Lewis zich vanavond bediende van de karakteristieke overblowing-techniek van Coltrane : de stijl van Lewis was veel meer to the point en soms zelfs bijna liefkozend, wanneer hij zijn aparte zuig-achtige techniek demonstreerde (het ontbreekt me aan een meer accurate omschrijving). Maar de drive, de energie, de rusteloos voortdenderende stroom aan akkoorden : dit is een man met een missie, een missionaris die jazz-ongelovigen te vuur en te zwaard bestrijdt.

Tijdens het concert van vanavond werd ik af en toe zelfs bijna tot tranen toe bewogen. Zo perfect was de schoonheid in het volume en in de verplettering. Tijdens het afsluitende en ingetogen nummer "Bittersweet" en nog een mantra-achtige solo-bisser kon het publiek terug een beetje op adem komen en ontwaken uit deze transcendentale trip. Ik wik mijn woorden nauwkeurig wanneer ik zeg dat dit niet alleen één van de beste jazz-concerten was dat ik ooit zag, maar zelfs één van de beste concerten tout court.

10 maart 2017

Domestica (De Warande Kuub - 09.03.2017)
















De van Rinus Michels bekende uitspraak "voetbal is oorlog" zou je gerust kunnen doortrekken naar liefde en relaties. Want ook op dat front is er helaas vaak sprake van verbaal of fysisch geweld, van elkaar de duvel aandoen, van onderlinge verwijten, van onbegrip, van een neerwaartse spiraal. Iets wat ook acteur en theatermaker Valentijn Dhaenens mocht ondervinden toen hij als kind vaak kletterende ruzies van zijn ouders moest doorstaan tijdens hun pijnlijk (v)echtscheidingsproces. Rond het eeuwenoude en universele thema van ruziënde koppels maakte hij de voorstelling "Domestica" in een productie van de KVS. Hij hanteert hierbij het collage-procédé dat hij reeds met veel succes toepaste in DeKleineOorlog en in de gelauwerde krachttoer DegrotemonD.

Op de bühne : een houten trap die nergens naartoe leidt (tenzij naar een afgrond). Op de trap : een meisje dat gedurende quasi gans de voorstelling met haar rug naar het publiek zit en af toe op haar synthesizer speelt (ook Dhaenens zat als kind vaak op de trap naar de ruzies van zijn ouders te luisteren). Een zetel die symbolisch in twee stukken gezaagd is. En natuurlijk het ruziënde koppel : Dhaenens en zijn tegenspeelster Alejandra Theus. Tijdens de voorstelling zappen ze vlotjes door het repertoire van bekende en minder bekende ruziënde koppels : Medea en Jason uit Medea van Euripides, Michael Corleone en Kay in The Godfather part II, Al en Peggy Bundy uit Married with Children, JR Ewing en Sue-Ellen uit Dallas, Gringo en Ciska uit Temptation Island, Brick en Maggie uit Cat on a Hot Tin Roof, Marianne en Johan uit Scenes from a Marriage (Ingmar Bergman), Jeanne en George uit Vrijdag (Hugo Claus). En natuurlijk hét ruziënde koppel uit dé ultieme ruzie-film : Martha (Elizabeth Taylor) en George (Richard Burton) in Who's afraid of Virginia Woolf ? (Mike Nichols). De onderwerpen van de ruzies zijn universeel (en ongetwijfeld voor sommige mensen in de zaal herkenbaar) : de opvoeding van de kinderen, bedrog, nalatigheid, een tanend seks-leven, geld, onbegrip, onverenigbare carrières, drank-misbruik door één van de partners, ....

















Het gaat er uiteraard verbaal zeer pittig aan toe tijdens deze plejade aan ruzies, maar ook fysische interactie werd niet geschuwd. Een pijnlijke en vrij lang uitgesponnen vrij-scène op de houten trap doet het publiek wat ongemakkelijk heen een weer schuifelen op hun stoelen. Maar tussen de harde ruzies door volgt af een toe een catharsis, waarbij Dhaenens en Theus zowaar ingetogen (en opvallend toonvast) aan het zingen slaan op de noten van het piano-spelende meisje (en waarbij we o.a. Grease de revue hoorden passeren). Stellen dat Dhaenens een uitstekend acteur is, is een open ruit inslaan. Hij bevestigde vanavond nogmaals zijn enorme charisma & talent en fladderde zonder enige moeite door een resem verschillende acteer-stijlen en dialecten. Het is niet evident om je als tegenspeelster staande te houden tegenover Dhaenens, maar Theus zette een zeer krachtige prestatie neer. Ook zij wisselde moeiteloos tussen verschillende dialecten en bleef netjes overeind op het slappe koord van de karikatuur. Een pittige tante die zich letterlijk en figuurlijk bloot gaf. Van geil & zat wijf, tot koel & berekenend serpent, naar slachtoffer van (seksueel) geweld en bedrog : altijd was haar interpretatie raak.

















Over de keuze van sommige 'ruzies' kun je discussiëren. Al & Peggy en JR & Sue-Ellen hadden voor mij niet gehoeven. Deze scènes helden een tikje te ver over naar goedkoop effect-bejag. En zo'n collage-voorstelling (bij een gebrek aan een beter woord) heeft natuurlijk als resultaat dat het op den duur een beetje op een quiz gaat lijken : zoveel mogelijk ruziënde koppels proberen te raden. En terwijl je in je geheugen aan het graven bent om de ruzie van het moment in het juiste vakje te plaatsen, gaat ondertussen de kracht van de tekst an sich een tikje verloren. Maar dat is detail-kritiek. Ik genoot ten volle van het krachtige spel van twee mooie en uiterst getalenteerde acteurs. En besloot en passant dat single zijn toch ook z'n voordelen kan hebben.

05 maart 2017

Kraak-festival (Beursschouwburg Brussel - 04.03.2017)

Op deze twintigste editie van het Kraak-festival (feest !) werd als vanouds een blik alternatieve podiumkunsten opengetrokken, die de toeschouwer deed verwonderen, de tenen deed krullen, deed nadenken, op de zenuwen werkte, prikkelde en vermaakte. Zich onderdompelen in kunst is altijd een beetje werken en dat was vandaag niet anders.

De Argentijnse geluidskunstenares Beatriz Ferreyra dompelde het publiek onder in haar bezwerende geluidscollages, doorspekt met verknipte vocalen en kleine flarden tango. Haar instrument : de schuiven van het mengpaneel, het licht waarvan de enige verlichting vormde in de voor het overige pikdonkere ruimte. Eén van de betere acts van de dag was de voorlees-sessie van Brusselaar Henry Andersen. Een jongedame en Andersen lazen synchroon en in een vast & hypnotiserend ritme een lange reeks woorden voor, die qua klankkleur associatief met elkaar verbonden waren, af en toe begeleid door achtergrond-ruis uit de luidsprekers. Hieronder een uittreksel uit de Kraak-release van dit project :




Henry Andersen
De uitgepuurde songs (gebracht op gitaar, piano of melodica) van Annelies Monseré bevestigden het cliché dat schrijven gelijk staat aan schrappen. Nummers uitgekleed tot het naakte bot, met de ijle stem van Monseré als emotioneel ijkpunt. De Zweedse kunstenaar Johannes Bergmark liet een heel ander geluid horen, namelijk dat van zijn ingewanden. Een ingeslikt microfoontje toverde zijn hartslag om tot een ruimte-vullende beat, terwijl we ineens ook mochten horen hoe het in je maag klinkt wanneer je chips vreet en er vervolgens wat cola op giet. Op het einde van zijn performance trok hij de microfoon weer uit zijn maag.

En nu we het toch over voedsel hebben : bij het abstracte kunst-theater van het Gentse duo Festoen speelden een paar broden een belangrijke rol. De twee dames waren gekleed in regenjassen en hadden hun gelaat volledig bedekt met een afgevlakt brood. Ik gok op een boeren-grof en een galet. Roerloos zaten ze achter een tafel, begeleid door noise die associaties aan aanrollende golven opriep. Heel af en toe werd er plots bewogen en keken de 'broden' elkaar aan, om vervolgens weer weg te kijken. Afhangende van de instelling van de toeschouwer was deze performance een scheet in een fles, kak in een doos ... of een interessante allegorie op toenemend isolement en op de onmogelijkheid tot diepgaande communicatie.

Na de pauze ging de verkleedpartij vrolijk verder in de set van Moleglove, drie Duitsers die grossieren in uiterst abstracte electronica - aangevuld met analoge geluiden die uit diverse speeltjes werden gehaald - en wiens hoofden volledig gehuld waren in aan elkaar genaaide blonde pruiken. Een boeiende set die echter met de lengte van één uur wel het uiterste vergde van het publiek. Na zo'n vermoeiend uur klonk de smerige trash-metal van het Finse Pymathon zowaar als een verfrissende douche voor de ziel. Het rammelde dat het een lieve deugd had, maar de eerste (!) drums en de eerste (!) elektrische gitaar van de dag waren welgekomen.


Frank Hurricane
Het absolute hoogtepunt van de dag was ongetwijfeld het concert van de Amerikaan Frank Hurricane, de zelfverklaarde maker van 'spiritual mountain psychedelic gangsta folk'. Deze meesterlijke verhalenverteller bracht de meest hilarische bindteksten (of beter gezegd : verhalen) ten berde die ik ooit in mijn leven hoorde en die in feite een stuk langer duurden dan zijn songs. Het woord 'holy' was ongetwijfeld het meest gebruikte adjectief van de dag. En de uitdrukking 'off da chain' werd veelvuldig gebruikt om aan te geven wanneer iets maf of krankzinnig was. Die verhalen ! Hoe 'Extra Cornbread Steve' aan zijn bijnaam kwam. Hoe hij na een geïmproviseerd concertje bij een stel moonshiners terecht kwam bij een biker-festival en daar whisky trachtte op te slurpen die werd uitgegoten op corpulente lijven terwijl ondertussen een hevige storm woedde. Hoe hij zijn gevoeg wilde doen en plots in zijn ooghoek merkte hoe iemand achter hem nog met een holy turd graffiti aan het tekenen was. En telkens spelen holy mountains of weed of een holy sheet of lsd wel één of andere rol. Na het concert glipten we backstage mee en kochten enkele LP's van deze kanjer, die ons vergastte op een kamerbrede glimlach en op een zweterige maar aandoenlijk oprechte knuffel. Wat een held !

De vinnige no wave van het Franse trio Zad Kokar slaagde erin om ons te transporteren van de oevers van de holy rivers waar Hurricane vaak vertoeft naar de artistieke underground van Straatsburg. En daar hoorden - hoe kan het anders - vrij geschifte en dadaïstische kostuums bij. Dat techno veel meer kan zijn dan een soundtrack in het leven van Temptation Island-deelnemers en andere gebruinde nitwits, bleek uit het concert van Inhalants. Deze twee Amerikanen (Matt Morandi en Max Ravitz) brachten een boeiende gelaagdheid aan tijdens hun knoppen-gefrutsel, iets waar ook afsluiter en Antwerpse electro-componist Hiele wonderwel in slaagde. Daar waar de namiddag-programmatie vooral in het teken stond van somtijds moeilijk te verteren performance-art, trok de avond-programmatie ons alsnog wederom over de streep. Off da chain !

02 maart 2017

McPhee/Corsano/Kessler/Amado & Cement Shoes (De Singer - 01.03.2017)

De mensen van Oorstof haalden vanavond een fijne line-up naar De Singer. De Portugese saxofonist Rodrigo Amado is niet alleen muzikant maar ook een begenadigd fotograaf. Naar aanleiding van een tentoonstelling in 2012 van zijn Un Certain Malaise-project organiseerde hij een paar concerten. Voor één van die concerten deelde hij het podium met collega-blazer Joe McPhee, drummer Chris Corsano en contra-bassist Kent Kessler. Het bleef niet bij dit éénmalige gelegenheidsconcert. In 2015 bracht het kwartet het album "This Is Our Language" uit (waarvan de titel refereert naar het album "This Is Our Music" van Ornette Coleman). Een beetje muziekliefhebber kan dan wel vermoeden welke richting de muziek van dit kwartet uitgaat : een stevige portie freejazz.

En dat was dan ook wat vanavond op het menu stond. Door hun talloze samenwerkingsverbanden met allerlei andere muzikanten, is dit viertal gepokt & gemazeld in improvisatorisch opgebouwde concerten, voldoende om niet te verzanden in een clichématige en beukende freejazz-noten-uppercut en egoïstisch solo-werk. Er zat dus meer dan voldoende variatie in het concert van vanavond en het was er nauwelijks aan te merken dat dit kwartet in deze samenstelling in de laatste jaren nauwelijks heeft samengespeeld. Het was vooral Amado die met zijn tenorsax teruggreep naar de venijnige freejazz van de grote dagen, aangevuld met de scherpe maar eerder ingehouden sound van de sopraansax van McPhee (die zich af en toe ook van een pockettrompet en een witte trompet bediende). Kessler - die zijn contrabas veelal met de strijkstok te lijf ging - zorgde voor de nodige body, maar de subtiliteit van zijn spel viel af en toe wel helaas een beetje tussen de plooien, temidden van het gedoseerde geweld van McPhee en Amado. En dan is er natuurlijk Corsano : deze waanzinnig getalenteerde drummer tilt het begrip 'percussie' naar een hoger niveau en etaleert niet alleen een technisch meesterschap maar ook een subtiele beheersing van zijn drumvellen, zodat hij zelfs op rustige momenten fijne toetsen aanbrengt.


Eerder op de avond mocht het trio Cement Shoes de debatten openen, een gloednieuw trio rond de Italiaanse en thans in Brussel wonende toetsenist en bezige bij Giovanni Di Domenico. Samen met de Hongaarse drummer Balázs Pándi en de Franse bassist Gonçalo Almeida bracht Di Domenico een project op de planken dat duidelijk nog in een embryonale fase verkeert. Het drumwerk van Pándi kwam vrij apathisch en steriel over en de scherpe noten-waterval van de elektrische piano van Di Domenico mistte wat cohesie. Ik was wel gecharmeerd door het spel van Almeida, die het half uurtje voorzag van een boeiende onderstroom.

25 februari 2017

Akalé Wubé & Black Flower (Warande Kuub - 24.02.2017)

Een interessante double-bill vanavond in De Warande : twee bands die geïnspireerd zijn door de zogenaamde Ethio-Jazz, een unieke mix van traditionele Ethiopische muziek met swingende jazz- en latina-ritmes. Het genre kende zijn hoogdagen van eind jaren '50 tot begin jaren '70 in de clubs van het toen bruisende Addis Abeba. In de jaren '90 kende het genre een revival en werden namen zoals Mulatu Astatke (vaak omschreven als 'the father of Ethiopan jazz') en Getatchew Mekuria ook in het Westen bekend. De Fransman Francis Falceto nam de taak op zich om zoveel mogelijk van deze muziek op plaat te zetten en de indrukwekkende reeks Ethiopiques (ondertussen al 30 CD's !) was geboren. En toen in 2005 regisseur Jim Jarmush de muziek van Mulatu Astatke gebruikte voor de soundtrack van zijn film 'Broken Flowers', werd het genre zowaar hip. En terecht ! Het publiek was vanavond helaas verre van dik gezaaid, maar zoals het cliché luidt : de afwezigen hadden verdraaid ongelijk.


De Parijse band Akalé Wubé - een achttal jaren actief en drie LP's op hun conto - kreeg de eer om als begeleidingsband te fungeren voor één van de grote namen uit de gouden periode van de Ethio-Jazz (Girma Bèyènè) tijdens de opname van de 30ste Ethiopiques-plaat. Hun set vanavond bestond uit een afwisseling van enerzijds eerder traditionele Ethiopische muziek (waarbij gebruik werd gemaakt van een mij compleet onbekend snaarinstrument) en anderzijds een op Westerse leest geschoeide versie van Ethio-Jazz. Blazers op een bedje van swingende ritmes, aangedreven door een lekker pingelende elektrische gitaar waarbij het gebruik van het wah wah-pedaal niet werd geschuwd en waarbij af en toe zelfs lichtjes psychedelisch uit de bocht werd gegaan. Het hoogtepunt van hun set was ongetwijfeld 'Bazay', verschenen op het album 'Mata' (2012) en oorspronkelijk een compositie van de Eritrese zangeres Tsèhaytu Bèraki. Het nummer werd aangekondigd als een traditioneel bruiloftsnummer uit Eritrea, trok zich lekker op gang met bedwelmende en opzwepende ritmes, maakte halfweg qua ritme compleet slagzij om uit te monden in een fantastische psychedelische trip, (voortgestuwd door een repetitieve bas-loop) en klokte af op een 9-tal minuten. De kans dat ik ooit huw, is vrij klein. Maar moest het er alsnog van komen, dan mag de band - opnieuw getooid in hun bizar samenraapsel van foute plastrons - dit nummer gerust op mijn bruiloftsfeest komen spelen.


Ook de Belgische band Black Flower gebruikt de bouwstenen van Ethio-Jazz in hun muziek, maar trekt het register open en maakt er een soort van mondiale stoofpot van. De swingende groove van Addis Abeba, de op het middenrif mikkende baslijnen van de Jamaicaanse dub, de fluit-arrangementen die de sfeer van Arabische soeks oproepen, ... En of dit stoofpotje vanavond sudderde ! Aangevoerd door componist / fluitist / saxofonist Nathan Daems (die me zowel qua uiterlijk als qua lichaamstaal aan een ondervoede versie van Sam Vloemans deed denken) kregen we vanavond een concert geserveerd, waar een mens automatische blij-gezind van wordt. Een ideaal medicijn tegen zuurheid en mentale constipatie. Of het nu de dub-ritmes waren van bassist Filip Vandebril, de rare keyboard-effecten van Wouter Haest (gekoppeld aan een intrigerend DIY-versterker-achtig-iets), of het zeer indrukwekkende slagwerk van drummer Simon Segers (ook actief bij De Beren Gieren) : qua ritme was het altijd raak. Daarbovenop zorgden een heel scala aan blaasinstrumenten, bespeeld door Daems en door de Texaanse kornettist Jon Birdsong, voor de oriëntaalse toets. Deze laatste bediende zich tijdens één van de nummers trouwens van een assortiment zeeschelpen als blaasinstrumenten. Tijdens het laatste nummer van de reguliere set vervoegden de heren van Akalé Wubé het podium, om er een lekker amicale jam-sessie van te maken. De enige bisser ("Lunar Eclipse", verschenen op het recente album "Artifacts") werd ingeleid door een eenvoudig maar hypnotiserend arrangement voor drie fluit-instrumenten en groeide uit tot een bijna 20 minuten durende staalkaart van wat deze boeiende band te bieden heeft (met halfweg een hoofdrol voor de geweldige drummer Simon Segers). Twijfel niet indien deze band in Uw beurt optreedt !

14 februari 2017

Quintessential Louis Hayes 80th Birthday Celebration Band (De Singer - 13.02.2017)


In mijn studententijd kreeg ik de smaak voor jazz serieus te pakken na het beluisteren van het album "The Cannonball Adderley Quintet Complete Live in San Francisco" (1959). Dat ritme, die drive, dat pure speelplezier ! Nadien zouden nog vele trips naar de Antwerpse stadsbibliotheek in de Lange Nieuwstraat volgen, waarbij ik talloze jazz-LP's ontleende en op cassette opnam. Mijn liefde voor jazz in het algemeen (en voor het oeuvre van John Coltrane in het bijzonder, waarvan ik toen de ene LP na de andere verslond) is daar ontstaan.

Op de prachtige foto hiernaast (© Jazzinphoto) zien we drummer Louis Hayes aan het werk in 1961 bij het kwintet van de (letterlijk en figuurlijk) grote Julian 'Cannonball' Adderley. En ook op die twee magische avonden in San Francisco in oktober 1959 - toen het voormelde heerlijke live-album werd opgenomen - zat Hayes achter de drumvellen. Maar wanneer je een beetje verder graaft in de biografie en discografie van de man en de lijst bekijkt van jazz-iconen waarmee hij heeft samengespeeld, dan lijkt het wel alsof je de index van de volledige Penguin Guide To Jazz aan het lezen bent : Kenny Burrell, Dexter Gordon, Freddie Hubbard, Yusef Lateef, Oscar Peterson, Horace Silver ... en John Coltrane. Hayes drumde op enkele van de klassieke Prestige-LP's die Coltrane opnam eind jaren '50.

De nakende tachtigste verjaardag van Hayes was een mooie gelegenheid om bij wijze van eerbetoon een tournee op poten te zetten, met vandaag een tussenstop in De Singer. Trompettist Jeremy Pelt - die zowel qua omvang als qua sappige bindteksten wel wat aan Cannonball Adderley deed denken - beschouwde de plaatsnaam 'Rijkevorsel' als compleet onuitspreekbaar en omschreef de gemeente grappig als "literally a one-horse town", dit in contrast met grote steden waar het kwartet gedurende deze tournee optrad (Barcelona, Wenen, Athene, München, Londen, Parijs). Naast Hayes en Pelt traden vandaag ook aan : Danny Grissett op piano en Dezron Douglas op contrabas. Het behoeft nauwelijks betoog dat het niveau van elk van deze muzikanten compleet complementair was aan het niveau van bandleider Hayes, die met een onnavolgbare 'behandeling' van zijn grote cimbaal het swingende ritme aangaf en zich voor het overige een opvallend bescheiden rol aanmat. In de bescheidenheid herkent men de meester.


In twee sets van telkens een uur bracht het kwartet de magie van de gouden jaren '50 (gemarkeerd door de overgang van swing naar bop) naar 's lands beste jazz-club. Tijdens de eerste set zaten enkele feedback-incidentjes in de weg van een vlekkeloos verloop, maar tijdens de tweede set was deze kreukel gladgestreken en beleefden we een prachtig avondje jazz van het soort dat me indertijd bij de lurven greep. In elke set één bloedmooie ballad en talloze mooie solo's om de muzikanten met een open doekje te belonen. Vooral in de tweede set kregen Douglas en Grissett ruimschoots de gelegenheid om hun kunnen te tonen.


Uit de mond van Pelt noteerden we enkele nummers uit de set-list :

"The theme from Mr. Lucky" (Henry Mancini)
"Easy Walker" (Billy Taylor)
"I wanna be loved with inspiration" (Johnny Green)
"Hello bright sunflower" (Duke Pearson)
"Happy times" (Freddie Hubbard)
"French spice" (Donald Byrd)

Rijkevorsel mag dan doorgaans inderdaad a one-horse town zijn, op deze grauwe Kempische maandagavond werd het publiek voor twee uurtjes meegenomen naar een oktoberavond in 1959 in The Jazz Factory - de ondertussen teloor gegane club in het North Beach-district in SF - waar Cannonball Adderley én Louis Hayes toen onbewust de zaadjes plantten van mijn liefde voor het genre. Hulde !

04 februari 2017

Ivan de Verschrikkelijke (Koningin Elisabethzaal Antwerpen - 03.02.2917)

Er zijn zo van die momenten die bepalend zijn voor de richting die je culturele interesse later zal inslaan. Zo zal ik nooit de avond vergeten waarop ik plotsklaps ontdekte dat het begrip cinema niet noodzakelijk een synoniem hoefde te zijn van de commerciële mega-industrie van Tinseltown, maar dat het ook een verbluffende kunstvorm kan zijn. Ik moet zowat 12 of 13 jaar oud geweest zijn. Op de toenmalige BRT2 werd "Ivan The Terrible part 2" vertoond, het meesterwerk dat de Russische cineast Sergej Eisenstein in 1946 verfilmde. 's Anderendaags kon ik er tegen mijn klasgenoten niet over zwijgen, zo overdonderd was ik.

Natuurlijk wist ik toen nog helemaal niets over de regisseur, één van de meest getalenteerde cineasten (en film-theoretici) uit de filmgeschiedenis. En ik wist helemaal niets over de componist van de filmmuziek : Sergej Prokofiev. En is het ook pas later dat ik ontdekte dat deze film deel uitmaakte van een geplande trilogie maar dat het derde deel nooit tot stand gekomen is. Ene Josef Stalin was immers not amused toen hij het tweede deel zag en Eisenstein viel uit zijn gratie. Daar waar tsaar Ivan IV (1530-1584) in het eerste deel nog uit de verf kwam als de man die Rusland verenigde tegen de corrupte feodale landheren (de Bojaren) - een portret waarmee Stalin zich kon vereenzelvigen - , werd de tsaar in het tweede deel geportretteerd als een paranoïde en twijfelende despoot die zich door een soort van privé-militie liet omringen en die zich verlaagde tot staats-terrorisme. Stalin zag de overduidelijke parallel en verbood de publieke vertoning van de film. Eisenstein zou nog beginnen aan het geplande derde deel - na nieuw overleg met Stalin in 1947- maar overleed in 1948 aan een hartaanval. De gemaakte opnamen van het derde deel werden grotendeels vernietigd. "Ivan The Terrible Part 2" werd pas in 1958 - tien jaar na het overlijden van Eisenstein en onder het bewind van Nikita Chroesjtsjov - voor het eerst aan het publiek vertoond en werd sedertdien onthaald als één van de absolute meesterwerken van de wereldcinema.


De Filharmonie maakte samen met het Mechelse theatergezelschap Het Banket een concertversie van de monumentale muziek die Sergej Prokofiev schreef voor het film-tweeluik (opus 116). En de opzet van het concert was al even monumentaal als het onderwerp : niet alleen het filharmonisch concert gaf partij, maar ook twee koren : het Octopus Symfonisch Koor en het Naamse Choeur de Chambre de Namur, dit alles gedirigeerd door de Britse dirigent Martyn Brabbins. Het narratief van de twee films werd naverteld door Jan Decleir en Stefaan Degand, op een tekst (en onder regie) van Brechtje Louwaard en Tristan Versteven.

Iedereen die ooit de twee films zag (en dan vooral het tweede deel), zal zich wel de unieke sfeer herinneren die erin opgeroepen wordt. Eisenstein maakte in zijn biografie nauwelijks gebruik van buitenscènes, maar laat de gebeurtenissen plaatsvinden binnen zeer barokke paleis-decors, vol symboliek, over-the-top kostuums en met tal van beangstigende close-ups en dreigende, overmaatse schaduwen. In het laatste half uur van het tweede deel gebruikte hij kleurenfilm (oorlogsbuit die de Russen hadden meegebracht uit de Agfa-fabrieken). Bloedrood en kil groen versterken dan nog de grimmige sfeer. In deze productie werd ervoor gekozen om deze sfeer enerzijds op te roepen via de tekst (uiterst erudiet gebracht door Decleir en Degand) en anderzijds door een indrukwekkend grote backdrop van kunstenaar Ysbrand van Wijngaarden. Ik vond het een beetje jammer dat er geen gebruik werd gemaakt van sporadisch vertoonde film-stills. Het zou de tekst alleen maar meer kracht bijgezet hebben. Ik kon me er natuurlijk wel één en ander bij voorstellen, omdat ik de films gezien had. Maar toeschouwers zonder kennis van het Eisenstein-tweeluik, misten hierdoor toch wel een cruciale laag.

Anderzijds is de patriottische muziek van Prokofiev natuurlijk op zich meer dan boeiend genoeg. De Nederlandse mezzo-sopraan Christianne Stotijn verdronk helaas af en toe temidden van het geweld van het orkest en de twee koren. Een korte maar indrukwekkende passage was weggelegd voor drie knapen : zij vertolkten de drie Joodse jongens die - volgens het Bijbelse verhaal - door de Babylonische koning Nebukadnezar in het vuur werden gegooid omdat ze voor hem weigerden te knielen. In de film van Eisenstein werd dit Bijbelse verhaal ook opgevoerd als een toneelstukje aan het hof van tsaar Ivan.

In de dagen na deze indrukwekkende voorstelling heb ik opus 116 van Prokofiev nogmaals beluisterd en de twee films van Eisenstein herbekeken. Voor het herbekijken van "Ivan The Terrible Part 2" was ik toch een stukje zenuwachtig : zou het nog altijd dat verbluffende meesterwerk zijn dat me ruim drie decennia geleden de schellen van mijn ogen deed vallen ? Achteraf was ik gerustgesteld. De symbiose tussen de muziek van Prokofiev en de beelden van Eisenstein zorgt nog altijd voor mateloos boeiende cinema.

03 februari 2017

Evil Superstars (De Hoge Rielen - 02.02.2017)

In 2015 gaf het Limburgse combo Evil Superstars een reünie-concert op Pukkelpop, het eerste conventionele reünie-concert sedert hun afscheid in 1998 (eerder gaf de band nog wel twee afwijkende reünie-concerten : in 2004 bracht de band integraal het machtige album Jerusalem van de doommetal-band Sleep en in 2013 in de AB een éénmalig "Cosmic Synth Set"). De PP-marquee barstte bijna uit haar voegen voor dat zwaar geanticipeerde evenement en ik moest het betere ellebogenwerk bovenhalen om een goede plaats te bemachtigen voor dat (overigens zeer goede) concert. Na dat bejubelde reünie-concert beklommen Mauro Pawlowski en de zijnen zéér sporadisch her en der nog een podium om de reünie te rekken, maar de setting van vandaag was toch wel zeer uniek. En dus wederom naar De Hoge Rielen getogen voor het Festival WinterWarm van De Warande, waar Evil Superstars twee extreem verschillende sets speelden.

De eerste set werd gespeeld in de als winterbar ingerichte Loods 333 en was op voorhand aangekondigd als een 'akoestische set'. Wie daarbij gehoopt had op een Nonkel Bob-achtig samenzijn met akoestische gitaren, banjo en wat slagwerk, kwam daarbij echter redelijk bedrogen uit. Het vijftal bracht immers - ietwat verschuild achter een rij extreem hoge kamerplanten - een 40 minuten durende extreem ontoegankelijke set waarin noise-experimenten de boventoon voerden. Op de meest 'toegankelijke' momenten riepen de kille drum-pads echo's op van het vroege werk van Swans. Mauro beperkte zich tot elektronisch vervormde stem-experimenten en fungeerde gedurende de laatste 10 minuten als een in trance verkerend levend standbeeld, terwijl Tim Vanhamel flink in de weer was met de inhoud van zijn tote bag en met het nodige sample-speelgoedSpeelden daarbij een rol : een appel, een deodorant en twee live gevoerde telefoontjes met een vrouw aan de andere kant van de smartphone-lijn. Op het vlak van experimentele muziek kan ik best wat verdragen, dus ik kon deze geflipte sample- en noise-orgie best wel pruimen. Aan het gewauwel aan den toog te oordelen, was deze eerste helft van de avond echter duidelijk niet aan iedereen besteed.

Op het einde van het concert verscheen een figuur ten tonele (begeleid door gejoel van de bandleden), uitgedost in een soort van groteske en overmaatse kartonnen ridder-outfit, ritmische geluiden makend met een wandelstaf die met belletjes getooid was. Aan zijn kleine gestalte en krachtige stemgeluid herkenden we al snel de Nederlandse acteur Louis Van der Waal. Deze acteur maakt samen met Pawlowski deel uit van het experimentele theatergezelschap Ferdnnd, waarvan we ooit de zeer vermakelijke voorstelling Transkamer zagen. Na wat oer-kreten en geschreeuw nodigde hij het publiek als volgt uit om hem te volgen  : "Dames & Heren, ik wil U vriendelijk vragen mij te volgen, mij te volgen, mijn kleed in Uw handen te nemen, Uw glas leeg te drinken, en ik zal U leiden ! Leiden in dit diepe, donkere bos ! Ik zal U verlossen, redding brengen ! Want ik weet dat het met jullie allemaal héél erg gesteld is ! Kom met mij mee !"

En aldus leidde Ridder Van der Waal het publiek doorheen het bos naar de volgende plaats van afspraak : het Tejater, waar de Superstars de tweede helft van de avond verzorgden. Bij de ingang van het Tejater verwelkomde Van der Waal iedereen met een tik op de grond van zijn belletjes-staf, net zoals hij bij Transkamer iedereen begroette met een handdruk en een zoen. Het Tejater bleek een vrij kleine ruimte te zijn zonder een podium-verhoog, zodat de Superstars gewoon op de grond optraden. En zo zagen we de Superstars aan het werk vanop de eerste rij, op pakweg twee meter verwijderd van de band. Een groter contrast met het uit zijn voegen gekraakte concert op Pukkelpop was nauwelijks denkbaar.


Voor de setlist verwijs ik gemakshalve naar de hiernaast afgebeelde print die ik na het concert oppikte. Nu kwamen degenen die gekomen waren voor een 'gewoon' concert van Evil Superstars wel ruimschoots aan hun trekken. De pasjes en het geschuifel van Vanhamel (mét opgetrokken broekspijp) doen nog altijd wat aan James Brown denken en het charisma van Pawlowski bleek onaangetast. Het zware, naar doom-metal en prog-rock neigende duo 'Cosmic Dance' en 'Hail The Rectangle' (beiden geschreven door Tim Vanhamel n.a.v. de PP-reünie) was mijn persoonlijke hoogtepunt. Maar ook een snedig 'I can't seem to fuck things up', de Millionaire-hit 'I'm on a high' en het in chaos eindigende 'Darkage disco' (waarbij Bart Vandebroek mij zijn basgitaar overhandigde, die ik pal op de grond liet vallen) vielen in goede rock-aarde. And you gotta love them Evil-lyrics, zoals in 'B.A.B.Y.' : "Just sodomized a brontosaurus while shaving the back of a disco-queen." De wat rammelend gespeelde toegift Sad Planet was eigenlijk overbodig. Toen waren de punten al lang gescoord.

29 januari 2017

Craig Taborn (De Singer - 29.01.2017)



Er zijn zo van die uitzonderlijke concerten waarbij de klasse van het podium druipt, waarbij je intellectueel geprikkeld en emotioneel gestimuleerd wordt, waarbij je jezelf klein voelt in de nabijheid van zoveel talent, waarbij de elektriciteit in de zaal bijna tastbaar is, waarbij woorden in feite niet kunnen vatten wat voor een exceptionele avond het was : vanavond hadden we het geluk zo'n avond mee te maken.

Enkele weken geleden beluisterde ik louter toevallig op Klara de registratie van het solo-concert dat de Amerikaanse pianist/componist Craig Taborn in 2016 gaf op Jazz Middelheim. Slag om slinger was ik verkocht en de aanschaf voor een ticket van zijn concert in De Singer liet dan ook niet lang op zich wachten.

Wat Taborn vanavond gedurende een 70-tal minuten liet zien, was van een uitzonderlijk hoog niveau en misschien wel het beste wat ik ooit in De Singer zag (samen met het magische duo-concert van Vijay Ayer en Rudresh Mahanthappa). Wat bij andere solo-concerten al snel kan verzanden in weinig inspirerend gepingel en geforceerde 'moeilijk-doenerij', klonk bij Taborn allemaal even interessant. Zelfs het laten 'ademen' van de toetsen (een soort van toetsaanslag zonder geluid), het ritmische gestamp van de linkervoet en het 'aaien' van de piano-snaren kwamen fris en interessant over. Tijdens deze masterclass in improvisatie fungeerde de linkerhand vaak als mantrische baslijn (5 à 6 noten die zich constant herhaalden), om daar bovenop met de rechterhand het ruime sop te kiezen en er vaak flink op los te rammen. Maar ook die diverse ritmische mantra's en onder-tonen zaten op zich dan weer vol kleine variaties en contra-punten. Verbluffend om die variaties te zien en om de spanningsboog meermaals te zien voltrekken. De vleugelpiano van Pat "De Gouden Toets" Strijbos werd vanavond tot het uiterste op de proef gesteld.

Een tijd geleden liet de Nederlandse klassieke radiozender NPO Radio 4 een ballonnetje op om misschien meer jazz te programmeren (blijkbaar zit de zender een beetje in het slop en tracht men diverse wegen te bewandelen om meer luisteraars te lokken). In een besloten facebook-groep waren enkele luisteraars door deze aankondiging flink op hun tenen getrapt, bang als ze waren om 'hun' zender als het ware vervuild te zien door jazz. Ik heb me even in de discussie gemengd en haalde de muziek van Taborn aan (nog voordat ik hem live gezien had) als argument tegen de angst van deze klassieke puristen. Zijn muziek overstijgt immers de rudimentaire hokjes van 'klassiek' en 'jazz'. Salonfähig is het niet, uitdagend des te meer. Na het bijzondere concert van vanavond ben ik nog meer overtuigd van mijn gelijk in deze discussie. Voor iedereen die bereid is om een beetje een inspanning te leveren bij het luisteren naar muziek (of het nu klassiek of jazz is), is de muziek van Taborn gefundenes Fressen. Je moet hem natuurlijk wel niet programmeren vlak na André Rieu, kwestie van de Weense wals-liefhebbers niet nodeloos te schofferen.